ECLI:NL:CRVB:2016:2826
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-inschrijving op feitelijk verblijfadres
Appellant ontving sinds juni 2012 bijstand maar had geen vast verblijfadres. Het college bood hem een zoektermijn om zich in te schrijven op zijn feitelijk verblijfadres in de GBA. Na het niet nakomen van deze verplichting werd de bijstand per 1 september 2012 opgeschort en later ingetrokken.
Appellant voerde aan de brieven niet te hebben ontvangen en dat de bewijslast hiervoor niet bij hem lag. De Raad oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat de stukken naar het juiste adres waren verzonden en dat appellant onvoldoende had gemotiveerd dat hij deze niet had ontvangen. Tevens was het niet voldoende om alleen een postadres door te geven.
De Raad bevestigde dat de intrekking van de bijstand rechtmatig was omdat appellant niet binnen de gestelde termijn zijn verblijfadres had doorgegeven. Daarnaast werd aan appellant vrijstelling van griffierecht verleend wegens onvoldoende financiële draagkracht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet-inschrijving op het feitelijk verblijfadres wordt bevestigd.