ECLI:NL:CRVB:2021:1482
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vrijstelling griffierecht en bevestiging salarisuitkering ambtenaar
Appellante, een ambtenaar die per 1 juli 2018 eervol is ontslagen, heeft hoger beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Binnenlandse Zaken waarin bezwaren tegen salarisspecificaties werden afgewezen. Zij stelde dat de eindafrekening onjuist was, met name omtrent de uitbetaling van niet-genoten vakantie-uren en de berekening van een salarisnabetaling.
De Raad oordeelde dat het verzoek om vrijstelling van het griffierecht niet kon worden toegewezen omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij betalingsonmacht had. Verder wees de Raad de inhoudelijke bezwaren af: de uitbetaling van niet-genoten vakantie-uren was terecht, ook al had appellante deze liever opgenomen; zij had eerder een besluit kunnen vragen over het opnemen van deze uren, maar dat niet gedaan. De salarisnabetaling was correct berekend vanaf 1 juli 2018, niet vanaf 1 januari 2018 zoals appellante betoogde.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 oktober 2020. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 juni 2021.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om vrijstelling van griffierecht wordt geweigerd.