ECLI:NL:CRVB:2016:2866
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- G.M.G. Hink
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand en boete wegens verzwegen woning in Suriname en verstrengeld vermogen met Stichting
Appellant ontving sinds 1998 bijstand en werd na anonieme meldingen onderzocht wegens bezit van een woning in Suriname. Uit onderzoek bleek dat appellant als enig bestuurslid van een Stichting de woning had verkocht en beheerde, waarbij het vermogen van de Stichting en appellant verstrengeld waren. Het college trok de bijstand in en vorderde €28.533,14 terug vanwege het niet melden van vermogen boven de vermogensgrens.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen intrekking ongegrond, maar matigde de boete wegens gebrek aan bewijs van opzet of grove schuld. In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek onrechtmatig was en dat hij niet redelijkerwijs over de woning kon beschikken. De Raad oordeelde dat het college bevoegd was tot onderzoek en dat appellant redelijkerwijs over de woning kon beschikken vanwege zijn bestuursfunctie en verhuurinkomsten.
De Raad verwierp het beroep op dringende redenen voor terugvordering en bevestigde de intrekking. De boete werd door de Raad verhoogd naar €2.000, passend bij het benadelingsbedrag en zonder matiging wegens onvoldoende onderbouwing van financiële problemen. Tevens werd appellant in het gelijk gesteld voor proceskosten van €496 en het griffierecht van €123 werd vergoed.
Uitkomst: Intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd en boete vastgesteld op €2.000.