ECLI:NL:CRVB:2016:291
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens woonplaatsverlies na huisverbod en detentie
Appellant ontving vanaf november 2009 bijstand samen met zijn echtgenote en woonde op het uitkeringsadres in de gemeente Berkelland. Na een detentie wegens huiselijk geweld op 9 juli 2013 kreeg appellant een huisverbod opgelegd, waardoor hij tijdelijk bij een vriend verbleef en zich later inschreef op een ander adres in een andere gemeente.
Het dagelijks bestuur trok de bijstand per 9 juli 2013 in, primair omdat appellant zijn woonplaats niet had doorgegeven en subsidiair omdat hij buiten de gemeente Berkelland verbleef. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant vanaf 10 juli 2013 zijn woonplaats had verloren.
In hoger beroep stelde appellant dat hij zijn woonplaats in de gemeente Berkelland tussen 10 en 25 juli 2013 niet had verloren, maar slechts tijdelijk elders verbleef. De Raad oordeelde dat appellant pas vanaf 23 juli 2013 zijn woonplaats had verloren, omdat het huisverbod en de beschikking van de rechtbank van 23 juli 2013 hem verhinderen terug te keren naar het uitkeringsadres.
De Raad vernietigde daarom het besluit voor de periode 10 tot en met 22 juli 2013 en herroept het besluit voor die periode. Tevens veroordeelde de Raad het dagelijks bestuur tot vergoeding van de kosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand over 10-22 juli 2013 wordt vernietigd en herroepen.