ECLI:NL:CRVB:2016:2968
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging zorgvuldig medisch onderzoek bij beoordeling recht op ziekengeld wegens rugklachten
Appellante, werkzaam als productiemedewerkster, meldde zich in september 2011 ziek vanwege lage rugklachten. Het UWV stelde vast dat zij vanaf 9 september 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. Na een nieuwe ziekmelding in december 2013 en een bedrijfsartsbezoek in januari 2014, besloot het UWV dat zij per 27 januari 2014 geen recht meer had op ziekengeld. Dit besluit werd door de rechtbank bevestigd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek naar haar belastbaarheid onzorgvuldig was en dat haar beperkingen, zowel lichamelijk als psychisch, waren onderschat. Zij overhandigde aanvullende medische stukken ter onderbouwing. Het UWV en de verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerden echter dat deze stukken geen aanleiding gaven het eerdere oordeel te herzien, mede omdat veel stukken betrekking hadden op een latere datum dan de datum in geschil.
De Raad volgde het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellante per 27 januari 2014 geschikt was voor de geselecteerde functies. De Raad wees het verzoek om aanvullend onderzoek af, omdat de medische gegevens geen twijfel opriepen over de juistheid van het besluit. De lijdensdruk van appellante werd erkend, maar de thuissituatie kon niet worden meegewogen in de beoordeling van het recht op ziekengeld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de aangevallen uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.