ECLI:NL:CRVB:2020:1408
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellante was langdurig ziek met rugklachten, migraine en psychische problemen en ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering. Na diverse medische beoordelingen stelde het UWV vast dat zij niet arbeidsongeschikt was voor de geselecteerde functies binnen de WIA, waaronder snackvoorbereider. De rechtbank had het bezwaar van appellante tegen het besluit van het UWV ongegrond verklaard, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen van appellante niet tot volledige arbeidsongeschiktheid leidden.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door haar klachten en het expectatief beleid na een rugoperatie niet in staat was om licht werk te verrichten, maar de Raad volgde het UWV en de rechtbank in hun oordeel dat de medische informatie en functionele mogelijkhedenlijst (FML) voldoende onderbouwd waren. De Raad concludeerde dat appellante ten minste geschikt was voor de functie van snackvoorbereider en dat er geen reden was om te twijfelen aan de juistheid van de medische conclusies.
De Raad verwierp de beroepsgronden van appellante en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De beslissing werd uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 8 juli 2020.
Uitkomst: De ZW-uitkering van appellante is terecht beëindigd omdat zij geschikt is voor de functie van snackvoorbereider.