ECLI:NL:CRVB:2016:2994
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid
Appellant meldde zich op 6 februari 2014 ziek vanuit een WW-situatie en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV verklaarde hem per 28 april 2014 weer geschikt voor arbeid op basis van een verzekeringsartsrapport. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank.
Appellant stelde in hoger beroep dat zijn psychische klachten, waaronder een obsessief compulsieve stoornis, waren toegenomen en dat hij onder behandeling was bij het AMC met medicatie en ernstige slaapklachten. De Raad nam kennis van een brief van i-psy waarin bleek dat appellant nog onder behandeling was, maar niet altijd therapie volgde. De diagnose bleef gelijk aan eerdere vaststellingen.
De Raad oordeelde dat appellant niet had aangetoond dat zijn beperkingen ernstiger waren dan bij de eerdere WIA-beoordeling. De functionele beperkingen waren adequaat in kaart gebracht en er was geen aanleiding voor aanpassing. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.