ECLI:NL:CRVB:2016:2999
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever
Appellante, een klein bouwbedrijf, had een werknemer die sinds december 2011 wegens knieklachten arbeidsongeschikt was. Het Uwv legde een loonsanctie op omdat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren. Appellante stelde dat de werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was en dat re-integratie niet mogelijk was, gesteund door een bedrijfsarts en een mentaal belastbaarheidsonderzoek.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante tekort was geschoten in haar re-integratieverplichtingen. Het deskundigenoordeel van het Uwv concludeerde dat de werknemer nog benutbare mogelijkheden had en dat re-integratie in het tweede spoor noodzakelijk was. Appellante had dit oordeel niet adequaat opgevolgd en het re-integratiebedrijf niet van het deskundigenoordeel op de hoogte gesteld.
De Raad verwierp het beroep van appellante en bevestigde het besluit van het Uwv om de loonsanctie niet te verkorten. Ook het latere toekennen van een IVA-uitkering aan de werknemer leidde niet tot een andere beoordeling van de re-integratieverplichtingen in de relevante periode.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd en het hoger beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard.