Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:3

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 januari 2016
Publicatiedatum
5 januari 2016
Zaaknummer
14/4707 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand studiekosten en toekenning inrichtingskosten als lening

Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en vroeg bijzondere bijstand aan voor inrichtingskosten, schulden, kleding en studiekosten. Het college kende alleen bijzondere bijstand toe voor inrichtingskosten als lening en wees de rest af. De rechtbank vernietigde het besluit deels en verhoogde het bedrag voor inrichtingskosten.

In hoger beroep richt appellant zich tegen de afwijzing van studiekosten en de vorm van bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. De Raad stelt vast dat het college de bijzondere bijstand voor inrichtingskosten alsnog om niet zal toekennen en reeds afgeloste bedragen zal terugbetalen.

De Raad bevestigt dat studiekosten niet noodzakelijk zijn in de zin van artikel 35 WWB Pro, omdat de wens tot persoonlijke ontwikkeling en verbetering van arbeidsmarktpositie onvoldoende is om de kosten als noodzakelijk aan te merken. Het hoger beroep slaagt daarom alleen voor de inrichtingskosten, niet voor de studiekosten.

De Raad veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten van appellant voor het hoger beroep, maar beslist niet over griffierecht omdat appellant daarvan is vrijgesteld.

Uitkomst: Bijzondere bijstand voor inrichtingskosten wordt om niet toegekend, studiekosten worden afgewezen wegens gebrek aan noodzakelijkheid.

Uitspraak

14/4707 WWB
Datum uitspraak: 5 januari 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
29 juli 2014, 13/8165 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2015. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.J.M. Schakenraad.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving ten tijde hier van belang sinds 23 juli 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Op 31 juli 2013 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor inrichtingskosten (€ 16.000,-), voor de kosten van schulden en kleding (€ 6.900,-) en voor de kosten van een studie (€ 11.000,-), in totaal voor een bedrag van € 33.900,-.
1.3.
Bij besluit van 6 september 2013 heeft het college aan appellant bijzondere bijstand toegekend voor de kosten van woninginrichting tot een bedrag van € 2.750,-, in de vorm van een geldlening. Tevens heeft het college bij dit besluit de aanvraag om bijzondere bijstand voor de overige kosten afgewezen.
1.4.
Bij besluit van 11 november 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 september 2013 ongegrond verklaard. Voor zover het de studiekosten betreft heeft het college daaraan ten grondslag gelegd dat deze kosten niet noodzakelijk zijn in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB.
2. De rechtbank heeft - voor zover hier van belang - het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar van appellant voor zover gericht tegen het bedrag van de toegekende bijzondere bijstand voor inrichtingskosten gegrond verklaard en het primaire besluit in zoverre herroepen, bepaald dat het college aan appellant voor inrichtingskosten bijstand toekent in de vorm van een lening tot een bedrag van € 3.160,-, en het bezwaar van appellant voor het overige ongegrond verklaard, het primaire besluit voor het overige gehandhaafd en bepaald dat het college het betaalde griffierecht ad € 44,- aan appellant vergoedt.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep - voor zover thans nog van belang - tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover deze de bijzondere bijstand voor studiekosten en de vorm van de bijzondere bijstand voor inrichtingskosten betreft. Met betrekking tot de eerstgenoemde kosten heeft hij aangevoerd dat de studie en daarmee de studiekosten voor hem noodzakelijk zijn om zijn positie op de arbeidsmarkt te verbeteren.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Inrichtingskosten
4.1.
Ter zitting van de Raad heeft het college meegedeeld dat de aan appellant verleende bijzondere bijstand voor inrichtingskosten alsnog om niet zal worden toegekend en dat aan appellant het totaal van de reeds afgeloste bedragen teruggestort zal worden. Dit brengt mee dat het hoger beroep slaagt voor zover het betrekking heeft op de inrichtingskosten.
4.2.
Wat onder 4.1 is overwogen brengt mee dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij het bestreden besluit ten aanzien van de inrichtingskosten in stand is gelaten.
Studiekosten
4.3.
Het recht op bijzondere bijstand is geregeld in artikel 35 van Pro de WWB. Bij de toepassing daarvan dient - voor zover hier van belang - eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.4.
De beroepsgrond dat de studiekosten ten onrechte als niet noodzakelijk zijn aangemerkt slaagt niet. Appellant heeft ter zitting van de Raad toegelicht dat het door hem beoogde
MBA-diploma, als aanvulling op zijn afgeronde opleiding in de bedrijfskunde, zijn mogelijkheden om snel weer te participeren op de arbeidsmarkt in het binnen- en buitenland aanzienlijk zou vergroten. Daarnaast heeft appellant naar voren gebracht dat hij zich wil blijven ontwikkelen. De omstandigheid dat appellant de studie voor zich zelf nuttig en nodig acht leidt echter op zichzelf niet tot de conclusie dat de daarmee gemoeide kosten zijn aan te merken als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB. De enkele veronderstelling van appellant dat de studie zou leiden tot verbetering van zijn arbeidsmarktpositie is onvoldoende als onderbouwing van de noodzaak van de studie in voormelde zin. Verder vormt de wens van appellant om zich te blijven ontwikkelen, hoe begrijpelijk ook, geen grond om de aan de studie verbonden kosten als noodzakelijk aan te merken.
4.5.
Uit 4.3 en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt voor zover het betrekking heeft op de studiekosten. De aangevallen uitspraak zal daarom in zoverre worden bevestigd.
5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, begroot op € 23,80 aan reiskosten. Van betaling van griffierrecht is appellant vrijgesteld, zodat niet tot restitutie daarvan zal worden beslist.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank heeft bepaald dat het college
aan appellant bijzondere bijstand voor inrichtingskosten toekent als leenbijstand tot een
bedrag van € 3.160,-;
- bepaalt dat het college aan appellant bijzondere bijstand voor inrichtingskosten toekent om
niet tot een bedrag van € 3.160,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van
11 november 2013;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 23,80.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2016.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) M.S. Spek

HD