ECLI:NL:CRVB:2016:3111
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verrekening materiële schadevergoeding met bijzondere uitkering op grond van Regeling Ereschuld
Appellant, een gewezen militair met een invaliditeit van 80%, ontving een bijzondere uitkering op grond van de Regeling Ereschuld. Deze uitkering werd verrekend met een eerder ontvangen schadevergoeding van €150.000,-. De minister stelde dat alleen het materiële deel van de schadevergoeding (€75.000,-) in mindering mocht worden gebracht, waardoor appellant recht had op €25.000,- extra.
Appellant maakte bezwaar tegen deze verrekening, maar de minister verklaarde het bezwaar uiteindelijk gegrond met de genoemde correctie. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat artikel 21a, tiende lid, van het Besluit AO/IV onmiskenbaar dwingend voorschrijft dat alleen de materiële schadevergoeding verrekend mag worden met de bijzondere uitkering. De Raad verwierp het betoog van appellant dat het gehele bedrag van €100.000,- had moeten worden uitbetaald en dat het artikel niet als grondslag mocht dienen.
Ook het subsidiaire standpunt van appellant dat slechts een derde deel van de schadevergoeding als materieel mocht worden beschouwd, werd verworpen omdat in dit geval duidelijkheid bestond over het materiële deel. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de verrekening van de materiële schadevergoeding met de bijzondere uitkering wordt bevestigd.