ECLI:NL:CRVB:2016:3119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding materiële schade na verlaging bijstand niet toewijsbaar
Appellante ontvangt sinds 1986 bijstand en kreeg in 2009 besluiten tot verlaging van haar bijstand met 100%, later deels teruggebracht naar 50% door de Raad. Zij verzocht om vergoeding van diverse kosten en schadeposten voortvloeiend uit deze verlaging, waaronder tandartskosten en zorgverzekeringsschulden.
De commissie kende alleen wettelijke rente toe over de nabetaalde bijstand en wees overige schadevergoedingen af. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij recht had op volledige schadevergoeding.
De Raad oordeelt dat de vergoeding van wettelijke rente geacht wordt alle schade door vertraging te dekken en dat geen zelfstandige vergoeding van andere schadeposten toekomt. Bovendien volgt uit eerdere jurisprudentie niet dat de gevraagde kosten voor vergoeding in aanmerking komen, omdat deze schade voortvloeit uit gemis aan inkomsten en niet uit een statuswijziging.
Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd zonder verdere schadevergoeding naast wettelijke rente.