Uitspraak
4 december 2014, 14/6891 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
K ontving bijstand sinds 2006. In 2013 ontdekte de sociale recherche dat appellant vanaf april 2013 een gezamenlijke huishouding voerde met K, zonder dit te melden. Het college trok de bijstand van K in en vorderde kosten terug, ook mede van appellant als meeprofiterende partner. De rechtbank oordeelde dat appellant zijn hoofdverblijf vanaf april 2013 bij K had en dat sprake was van wederzijdse zorg.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet wist van de bijstand en dat er geen gezamenlijke huishouding was in april 2013. De Raad onderschreef de rechtbank en stelde vast dat bankgegevens, verklaringen en het huisbezoek bewijs leverden van de gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg.
De Raad bevestigde dat het college bevoegd was tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand mede van appellant op grond van artikel 59 WWB Pro. Dringende redenen om van terugvordering af te zien werden niet aangetoond. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college is bevoegd tot medeterugvordering van bijstandskosten wegens verzwegen gezamenlijke huishouding.