ECLI:NL:CRVB:2016:3152
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet overleggen bankafschriften
Appellant ontving van 10 februari 2010 tot 1 april 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Naar aanleiding van een vermogenssignaal van de Belastingdienst over 2009, waarbij bleek dat appellant een bedrag van € 5.968,- op zijn bankrekening had staan, stelde de Afdeling Bijzonder Onderzoek van de gemeente Den Haag een onderzoek in. Appellant werd meerdere malen verzocht om bankafschriften over de periode van 1 november 2009 tot en met 31 maart 2011 te overleggen, maar hij kwam hier niet aan tegemoet.
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag besloot daarom op 19 oktober 2012 de bijstand over de periode van 10 februari 2010 tot en met 31 maart 2011 in te trekken en de kosten van bijstand van € 14.210,32 terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door niet de gevraagde bankafschriften te overleggen. De door appellant overgelegde afschriften betroffen een andere periode en boden geen inzicht in het saldo tijdens de periode in geding. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of appellant recht had op bijstand. De Raad verwierp ook het verweer dat sprake was van een geringe overschrijding van de vermogensgrens. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.