ECLI:NL:CRVB:2016:3191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
Werknemer viel in april 2011 uit wegens rugklachten en hervatte gedeeltelijk aangepast werk. Na een tweede uitval met een liesbreuk en operatie hervatte hij opnieuw aangepast werk. In januari 2013 vroeg werknemer een WIA-uitkering aan. Het UWV legde een loonsanctie op wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van de werkgever, die het verzoek tot bekorting van deze sanctie afwees.
De rechtbank verklaarde het beroep van de werkgever ongegrond, stellende dat de werkgever onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat passende arbeid niet structureel kon worden aangeboden. In hoger beroep voerde de werkgever aan dat de vacature niet passend was en van tijdelijke aard, terwijl werknemer stelde dat hij voldeed aan de functie-eisen.
De Raad oordeelde dat de werkgever niet aannemelijk had gemaakt dat de vervangende arbeid niet structureel kon worden aangeboden. Werknemer had relevante ervaring en een passend opleidingsniveau. De vacature was gedurende bijna zeven maanden open en werd uiteindelijk ingevuld met een tijdelijk contract, wat als structureel werk wordt beschouwd.
Daarmee volgde de Raad het oordeel van de rechtbank dat de loonsanctie terecht niet werd bekort. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De loonsanctie wordt niet bekort omdat de werkgever onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat passende arbeid niet structureel kon worden aangeboden.