ECLI:NL:CRVB:2016:3200
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WIJ-uitkering en beoordeling BBZ-uitkering zelfstandige
Appellant vroeg een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) aan, welke werd geweigerd omdat hij zelfstandige was en niet alle benodigde financiële gegevens had aangeleverd. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens wijziging van de grondslag, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat appellant geen recht had op de WIJ-uitkering als zelfstandige.
In hoger beroep werd tevens beoordeeld of appellant aanspraak kon maken op een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (BBZ). Uit de boekhoudkundige gegevens bleek dat appellant in 2010 een inkomen had dat hoger was dan de bijstandsnorm, waardoor geen recht op BBZ-uitkering bestond. Appellant stelde dat de feitelijke inkomsten lager waren dan de boekhoudkundige cijfers, maar kon dit niet met verifieerbare stukken onderbouwen.
De Raad oordeelde dat de ingangsdatum van de BBZ-uitkering niet kan liggen vóór de datum van aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, wat hier niet het geval was. Wel werd de proceskostenvergoeding voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep toegekend, omdat de gemachtigde van appellant diverse proceshandelingen had verricht die daarvoor in aanmerking kwamen.
Het beroep tegen het nader besluit tot afwijzing van de BBZ-uitkering werd ongegrond verklaard, het verzoek om proceskostenvergoeding in eerste aanleg werd alsnog toegewezen en het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het nader besluit BBZ wordt ongegrond verklaard en het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding en griffierecht.