ECLI:NL:CRVB:2016:321
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding met partner
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college trok deze bijstand in per 17 september 2012 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met appellant, die tevens als partner werd aangemerkt. Dit volgde op een onderzoek van de sociale recherche naar aanleiding van een melding dat appellant op het uitkeringsadres verbleef en vermoedelijk de vader van het kind van appellante was.
Het college baseerde het besluit op het verslag van een gesprek met appellant, waarnemingen van zijn aanwezigheid op het uitkeringsadres en een onweerlegbaar rechtsvermoeden uit de WWB dat bij een gezamenlijk kind een gezamenlijke huishouding wordt vermoed indien het hoofdverblijf hetzelfde is. Appellant voerde aan dat hij ook elders verbleef, maar zijn verklaring en de waarnemingen gaven voldoende grondslag voor het college om het hoofdverblijf op het uitkeringsadres te plaatsen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelde dat de verklaring van appellant tegenover de sociaal rechercheur zonder meer kon worden aangenomen, dat het college niet verplicht was een huisbezoek af te leggen, en dat de financiële gevolgen voor appellante onvoldoende waren onderbouwd om terugvordering te voorkomen.
De Raad concludeerde dat het college terecht de bijstand heeft ingetrokken en de terugvordering heeft opgelegd, en dat het hoger beroep niet slaagt. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 26 januari 2016.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand en de terugvordering wegens gezamenlijke huishouding.