Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:3252

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 augustus 2016
Publicatiedatum
1 september 2016
Zaaknummer
15/1444 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:9 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hadden verricht en dat de beperkingen van appellant niet waren onderschat.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere bezwaren en overhandigde opnieuw een medisch rapport van Aob-Compaz. De Raad concludeerde dat er geen sprake was van een volledig nieuwe schatting van functies en dat het UWV niet verplicht was appellant opnieuw te horen na een telefonische hoorzitting. De medische gronden van appellant werden door de Raad als onvoldoende onderbouwd beoordeeld, mede omdat geen objectieve medische informatie was overgelegd die twijfel zou kunnen zaaien over de vastgestelde beperkingen.

De Raad bevestigde dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd, passend zijn bij de beperkingen van appellant. De rechtbank en de Raad oordeelden dat de beperkingen van appellant niet zodanig zijn dat deze functies hem te boven gaan. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

15/1444 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
30 januari 2015, 14/3207 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 19 augustus 2016
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door H.A.M.M. van den Broek, tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1.
De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld en volstaat hier met het volgende.
1.2.
Bij besluit van 6 januari 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 3 februari 2014 geen recht ontstaat op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 11 augustus 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig onderzoek hebben verricht en er geen aanleiding is te concluderen dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appellant op de datum in geding, 3 februari 2014, hebben onderschat. Voorts heeft de rechtbank het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd dat de beoordeling door de arts van
Aob-Compaz, in het kader van een indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw), geen aanleiding geeft tot het aannemen van meer beperkingen dan in de bezwaarfase zijn aangenomen. Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde medische beperkingen heeft de rechtbank geen grond gezien voor het oordeel dat de geduide functies niet geschikt zouden zijn. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat, omdat in de bezwaarfase alleen enkele deelfuncties zijn afgevallen, het Uwv niet verplicht was de gewijzigde arbeidskundige onderbouwing opnieuw aan appellant voor te leggen.
3. In hoger beroep heeft appellant in essentie herhaald wat hij in beroep reeds had aangevoerd en daarbij opnieuw het rapport van Aob-Compaz van 4 juli 2014 overgelegd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Met betrekking tot de beroepsgrond van appellant dat het Uwv hem voorafgaand aan het bestreden besluit opnieuw had moeten horen, omdat nieuwe functies zouden zijn geduid, wordt het volgende overwogen. Aanvankelijk zijn de functies brugwachter, sluiswachter
(SBC-code 282170), machinaal metaalbewerker (SBC-code 264122) en besteller post/pakketten (SBC-code 282102) voor de theoretische schatting gebruikt en zijn aanvullend de functies elektronica monteur (SBC-code 267040) en productiemedewerker papier, karton en drukkerij (SBC-code 111174) geselecteerd. Na heroverweging is de functie brugwachter, sluiswachter komen te vervallen en is de schatting gebaseerd op de twee resterende functies machinaal metaalbewerker en besteller post/pakketten en op de reservefunctie productiemedewerker papier, karton en drukkerij. Weliswaar heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep binnen de SBC-code 282101 de functie van dagchauffeur apotheek verworpen, maar de functie van routechauffeur wel geschikt geacht. Van een volledig nieuwe schatting is daarom geen sprake. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat hiermee geen feiten of omstandigheden van aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 7:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht zijn ontstaan, zodat het Uwv niet verplicht was na de telefonische hoorzitting de gewijzigde arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit aan appellant voor te leggen.
4.2.
Wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht over de medische grondslag van het bestreden besluit is een herhaling van de door hem in beroep naar voren gebrachte gronden. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. Appellant heeft ook in hoger beroep geen objectief medische informatie ingebracht die twijfel oproept aan de juistheid van de beperkingen die de verzekeringsartsen van het Uwv hebben aangenomen. De omstandigheid dat bij de indicatie voor de Wsw van verdergaande beperkingen is uitgegaan behoeft op zichzelf nog geen aanleiding te zijn voor twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen. De criteria die bij een Wsw-beoordeling gebruikt worden, zijn niet dezelfde als die gelden bij een beoordeling van de arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat aan een Wsw-indicatie niet elke betekenis kan worden ontzegd, maar dat in dit geval de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd dat de beoordeling door de arts van Aob-Compaz bij appellant niet tot verdergaande beperkingen aanleiding geeft. Daarbij is er met recht op gewezen dat het rapport van de arts van Aob Compaz geen bevindingen met betrekking tot een lichamelijk onderzoek bevat.
4.3.
Uitgaande van de juistheid van de voor de bij appellant vastgestelde beperkingen, is in de voorhanden zijnde gegevens voldoende steun te vinden voor het oordeel dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de beperkingen van appellant niet te boven gaat. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat deze functies voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn te achten. Daarbij heeft de rechtbank, in navolging van het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 11 juli 2014, erop gewezen dat appellant de duim en de eerste twee vingers van de rechterhand wel kan gebruiken en dus de pen- en pincetgreep kan uitvoeren, terwijl de functie van de linkerarm en -hand in het geheel niet beperkt is.
4.4.
Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2016.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) L.H.J. van Haarlem
GdJ