ECLI:NL:CRVB:2016:3252
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- R.E. Bakker
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hadden verricht en dat de beperkingen van appellant niet waren onderschat.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere bezwaren en overhandigde opnieuw een medisch rapport van Aob-Compaz. De Raad concludeerde dat er geen sprake was van een volledig nieuwe schatting van functies en dat het UWV niet verplicht was appellant opnieuw te horen na een telefonische hoorzitting. De medische gronden van appellant werden door de Raad als onvoldoende onderbouwd beoordeeld, mede omdat geen objectieve medische informatie was overgelegd die twijfel zou kunnen zaaien over de vastgestelde beperkingen.
De Raad bevestigde dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd, passend zijn bij de beperkingen van appellant. De rechtbank en de Raad oordeelden dat de beperkingen van appellant niet zodanig zijn dat deze functies hem te boven gaan. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering bevestigd.