ECLI:NL:CRVB:2016:3279
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij weigering kinderbijslag en bijstand wegens niet-rechtmatig verblijf
Verzoeksters, bestaande uit een moeder en haar twee kinderen, vroegen voorlopige voorzieningen tegen besluiten die kinderbijslag en bijstand weigerden vanwege het ontbreken van een rechtmatige verblijfsstatus van de moeder. De moeder heeft de Nicaraguaanse nationaliteit en woont met haar kinderen in opvangvoorzieningen in Den Haag. De Nederlandse vader van het oudste kind is niet betrokken bij de zorg en onderhoud.
De voorzieningenrechter overwoog dat vanwege een lopende prejudiciële procedure bij het Hof van Justitie van de Europese Unie geen voorlopig oordeel over de bodemzaak kan worden gegeven. Tevens werd vastgesteld dat het gezin niet gedwongen wordt de EU te verlaten en dat er geen onomkeerbare situatie ontstaat door afwijzing van de voorlopige voorziening.
Hoewel het gezin in een moeilijke financiële situatie verkeert, ontbrak het aan objectief bewijs van onherstelbare schade aan de ontwikkeling van de kinderen. De kinderbijslag is een sociale verzekering en geen vangnetuitkering, waardoor toekenning als voorlopige voorziening niet passend is. Ook voor bijstand ontbrak een spoedeisende situatie die zwaarder weegt dan het publieke belang om zonder rechtsgrond geen middelen te verstrekken.
Daarom werden de verzoeken om voorlopige voorzieningen afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en lopende prejudiciële procedure.