ECLI:NL:CRVB:2016:3287
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening niet-rechthebbende moeder in bijstandszaak
Verzoekster, een Kameroense vrouw zonder rechtmatig verblijf, vraagt bijstand als alleenstaande ouder voor haar Nederlandse dochter. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees haar aanvragen af vanwege haar verblijfsstatus. De rechtbank verklaarde haar beroepen ongegrond, stellende dat geen afgeleid verblijfsrecht bestaat op grond van het EU-recht.
Verzoekster stelde in hoger beroep dat zij op basis van artikel 20 VWEU Pro een verblijfsrecht heeft en vroeg om een voorlopige voorziening voor bijstand. De voorzieningenrechter overwoog dat vanwege lopende prejudiciële vragen bij het Hof van Justitie geen voorlopig oordeel over de bodemprocedure kan worden gegeven.
De belangenafweging toonde dat geen sprake was van een spoedeisende situatie die toewijzing van bijstand rechtvaardigt. Verzoekster onderbouwde niet met objectieve gegevens dat haar dochter schade lijdt door het ontbreken van bijstand. Bovendien is er opvang en ontvangt zij alimentatie en kinderbijslag. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor bijstand wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en onvoldoende onderbouwing van schade.