ECLI:NL:CRVB:2016:3388
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- F. Hoogendijk
- Y.J. Klik
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding en boetevermindering
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college stelde vast dat zij vanaf 29 augustus 2010 een gezamenlijke huishouding voerde met M, hetgeen zij niet had gemeld. Na een onderzoek naar aanleiding van een anonieme melding en diverse verklaringen, waaronder die van appellante zelf, concludeerde het college dat zij ten onrechte bijstand ontving en trok deze met terugwerkende kracht in.
De rechtbank oordeelde dat de gezamenlijke huishouding bestond tot 30 juli 2013, waarna M vertrok naar het buitenland. Appellante betwistte dit en voerde aan dat M niet zijn hoofdverblijf bij haar had. De Raad stelde echter vast dat appellante bewust en gemotiveerd op haar eerste verklaring was teruggekomen en dat objectieve feiten, zoals persoonlijke bezittingen en verklaringen van derden, het hoofdverblijf van M op het uitkeringsadres bevestigden.
Verder werd een bestuurlijke boete opgelegd wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting. De Raad oordeelde dat de boete terecht was, maar dat het college de hoogte ervan in hoger beroep had verlaagd. De Raad vernietigde het eerdere besluit dat het beroep ongegrond verklaarde en verklaarde het beroep gegrond, maar verklaarde het beroep tegen het laatste besluit ongegrond. De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd en de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op € 2.380,-.