ECLI:NL:CRVB:2016:3390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens onduidelijke woonsituatie
Appellant vroeg bijstand aan na het beëindigen van een samenwoonrelatie en gaf aan alleen te wonen. Het bestuur weigerde de aanvraag omdat tijdens een huisbezoek vrouwenspullen werden aangetroffen, wat twijfel opriep over de feitelijke woonsituatie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij alleen woonde en dat het bestuur voldoende onderzoek had gedaan.
De Raad vond de verklaring van appellant over het vertrek van zijn partner niet consistent en onvoldoende onderbouwd. De feitelijke woon- en leefsituatie is bepalend voor het recht op bijstand, niet de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie.
De Raad wees ook het beroep op een eerdere Hoge Raad-uitspraak af omdat de situatie niet vergelijkbaar was. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd wegens onvoldoende aannemelijkheid van alleenwoning.