ECLI:NL:CRVB:2016:3475
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.M.G. Hink
- F. Hoogendijk
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige intrekking bijstand wegens onterecht woonadresvermoeden
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Naar aanleiding van een anonieme melding voerde de gemeente Rotterdam een onderzoek uit, waaronder huisbezoeken en buurtonderzoeken, en trok de bijstand met terugwerkende kracht in omdat zij niet op het opgegeven adres zou wonen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep stelde appellante dat het tweede huisbezoek onrechtmatig was omdat alleen haar zoon toestemming gaf voor het binnentreden, terwijl hij geen bewoner was. De Raad oordeelde dat het college onvoldoende bewijs had om te concluderen dat appellante niet woonde op het uitkeringsadres, mede omdat het onrechtmatig verkregen bewijs van het tweede huisbezoek niet mocht worden meegewogen.
De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het beroep gegrond. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van schade en proceskosten aan appellante. Dit arrest benadrukt het belang van correcte toestemming voor huisbezoeken en de zorgvuldige toetsing van bewijs bij intrekking van bijstand.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs en onrechtmatig huisbezoek.