Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontvangt sinds 2010 bijstand en is gehouden aan arbeidsverplichtingen op grond van de WWB. Na een traject bij het Re-integratiebureau Amsterdam, dat werd beëindigd vanwege incidenten en onbehoorlijk gedrag, werd appellante aangemeld voor een individueel traject bij een re-integratieorganisatie. Zij verscheen herhaaldelijk niet op afspraken zonder berichtgeving en weigerde deelname aan het traject.
Het college legde haar daarom een maatregel op waarbij de bijstand met 30% werd verlaagd voor de duur van een maand, wegens recidive in het niet nakomen van arbeidsverplichtingen. Appellante voerde aan dat de gedraging ten onrechte als eerste categorie was gekwalificeerd en dat een schriftelijke waarschuwing passend zou zijn.
De Raad oordeelde dat het college terecht de gedraging als eerste categorie kwalificeerde, omdat het traject gericht was op het wegnemen van belemmeringen voor arbeidsinschakeling. Gezien eerdere incidenten en de recidive was een maatregel van 100% mogelijk, maar deze werd gematigd vanwege de gezinssituatie van appellante. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de verlaging van 30% bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 30% wegens onvoldoende arbeidsinschakeling wordt bevestigd.