ECLI:NL:CRVB:2016:3581
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.H.M. van de Ven
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens onjuiste gronden en gebrekkige communicatie
Appellant diende op 22 augustus 2013 een aanvraag om bijstand in op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een werkgesprek ontving appellant een werkopdrachtformulier en een voorschot van €750,-. Het college wees de aanvraag op 22 oktober 2013 af omdat appellant zich niet tijdig had teruggemeld binnen de gestelde zoekperiode van vier weken en geen vervolgafspraak had gemaakt.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het college geen wettelijke grond had om de aanvraag te weigeren enkel vanwege het niet uit eigen beweging terugmelden. De Raad oordeelde dat het beleid van het college om een zoekperiode van vier weken aan te houden niet voldoende wettelijke basis heeft om het recht op bijstand te ontzeggen.
Daarnaast stelde appellant dat het college onzorgvuldig had gehandeld door geen expliciete datum te geven voor het inleveren van bewijsstukken. De Raad vond dat het college appellant vooraf duidelijk had moeten verzoeken om stukken in te leveren. Gezien deze onzorgvuldigheid en het ontbreken van een wettelijke grondslag vernietigde de Raad het bestreden besluit en droeg het college op een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt vernietigd met opdracht tot een nieuwe beslissing.