ECLI:NL:CRVB:2016:3649
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenlandbijdrage voor meeverzekerde gezinsleden grensarbeider
Appellant, een in België woonachtige grensarbeider die in Nederland werkt en verplicht verzekerd is voor de AWBZ en Zvw, betwistte de vaststelling van buitenlandbijdragen voor zijn echtgenote en dochter over 2012. Het Zorginstituut had deze bijdragen opgelegd op basis van de status van meeverzekerde gezinsleden conform artikel 17 van Pro Verordening 883/2004.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat het hoger beroep zich uitsluitend richt op de buitenlandbijdrage over 2012 en niet op eerdere jaren. Appellant voerde aan dat zijn gezinsleden niet met terugwerkende kracht meeverzekerd konden zijn en dat het Zorginstituut het rechtszekerheidsbeginsel had geschonden door de bijdrage pas in 2012 vast te stellen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep slechts betrekking heeft op 2012 en dat de echtgenote en dochter terecht als meeverzekerde gezinsleden zijn aangemerkt over de periode 1 januari tot 1 oktober 2012. Het E 106 formulier is een administratieve formaliteit en vormt geen voorwaarde voor het ontstaan van het recht op zorg. Het besluit tot vaststelling van de buitenlandbijdrage is binnen de wettelijke termijn genomen, waardoor geen strijd met rechtszekerheid bestaat.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De buitenlandbijdrage voor de echtgenote en dochter van appellant over 2012 is terecht vastgesteld en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.