Appellant ontving een partnertoeslag op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde bij besluiten van 16 december 2013 vast dat appellant geen recht had op de toeslag over een bepaalde periode vanwege inkomsten van zijn echtgenote en vorderde de toeslag terug. Het bezwaar van appellant werd deels gegrond verklaard, waardoor de terugvordering werd verminderd. De rechtbank oordeelde echter dat de rechtsbijstand in bezwaar niet beroepsmatig was verleend door de gemachtigde van appellant, waardoor geen vergoeding van kosten in bezwaar werd toegekend.
Appellant stelde in hoger beroep dat de gemachtigde, de heer Piket, wel beroepsmatig rechtsbijstand verleende, ondanks dat dit niet als hoofdactiviteit bij de Kamer van Koophandel stond geregistreerd. De Raad overwoog dat beroepsmatige rechtsbijstand niet afhankelijk is van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel, maar van feitelijke invulling, waarbij meer dan incidentele rechtshulp en vergoeding daarvoor doorslaggevend zijn.
De Raad concludeerde dat appellant aannemelijk had gemaakt dat de gemachtigde meer dan incidenteel rechtsbijstand verleende en hiervoor kosten in rekening bracht. Daarom werd het oordeel van de rechtbank dat geen sprake was van beroepsmatige rechtsbijstand vernietigd. De Svb werd veroordeeld tot vergoeding van de kosten in bezwaar en hoger beroep, in totaal € 1.488,-, inclusief het betaalde griffierecht.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een feitelijke beoordeling van beroepsmatige rechtsbijstand en de toekenning van proceskosten in bestuursrechtelijke procedures.