ECLI:NL:CRVB:2016:3820
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-wonen op uitkeringsadres
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Uit onderzoek, waaronder een onaangekondigd huisbezoek en verklaringen van een medebewoner, bleek dat appellant mogelijk niet op dat adres woonde. Het college trok daarom de bijstand in wegens het schenden van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Appellant voerde onder meer aan dat de verklaring van de medebewoner in het Engels niet betrouwbaar was en dat onvoldoende bewijs was voor het niet-wonen op het adres.
De Raad oordeelde dat de verklaring van de medebewoner, die in het Engels was gegeven maar door de handhavingsspecialisten goed werd begrepen, wel degelijk mocht worden meegewogen. De bevindingen van het huisbezoek en de verklaringen boden een toereikende grondslag om te concluderen dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde. Andere aangevoerde argumenten faalden eveneens.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet-wonen op het uitkeringsadres wordt bevestigd.