ECLI:NL:CRVB:2014:3791
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf
Appellante ontving bijstand vanaf augustus 2011 en stond ingeschreven op een adres in Amsterdam. Het college van burgemeester en wethouders trok de bijstand met ingang van september 2011 in en vorderde de kosten terug, omdat zij meende dat appellante haar hoofdverblijf had bij haar broer in een andere plaats. Deze beslissing was gebaseerd op een verklaring die appellante had afgelegd tijdens een gesprek met handhavingsspecialisten, waarin zij zou hebben verklaard vijf dagen per week bij haar broer te verblijven.
Appellante betwistte de juistheid van deze verklaring en voerde aan dat er geen tolk aanwezig was tijdens het gesprek, wat leidde tot misverstanden en onduidelijkheden. De Raad stelde vast dat het college appellante had opgeroepen met de mededeling dat zij een tolk moest meenemen, wat impliceert dat het college zelf onvoldoende taalvaardigheid bij appellante inschatte. De Raad vond dat het college onvoldoende waarborgen bood dat de verklaring een juiste weergave was van de feiten, mede door inconsistenties in de verklaringen en onduidelijkheden in het verslag.
De Raad oordeelde dat appellante niet aan haar verklaring kon worden gehouden en dat de grondslag voor intrekking en terugvordering van de bijstand daarmee verviel. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, de bestreden besluiten werden vernietigd en de besluiten van intrekking en terugvordering werden herroepen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen bijstand en de proceskosten van appellante.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs van het hoofdverblijf van appellante elders.