Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 2005 bijstand en kreeg deze in 2013 ingetrokken wegens het niet opvolgen van een oproep voor een gesprek. Na onderbewindstelling van haar goederen vroeg haar bewindvoerder in 2015 bijstand aan met ingang van 1 november 2013. Het college stelde de ingangsdatum vast op 3 december 2014 vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden voor een eerdere datum.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit in hoger beroep. De Raad maakte onderscheid tussen twee periodes: 1 november tot 29 november 2013, waarin geen nieuwe feiten of omstandigheden waren om het eerdere besluit te herzien, en 30 november 2013 tot 3 december 2014, waarin geen bijzondere omstandigheden waren die rechtvaardigen dat bijstand eerder werd toegekend.
Medische verklaringen toonden aan dat appellante een chronische schizofrenie had met episodische verergeringen, maar rond november 2013 niet onder behandeling stond en niet aannemelijk was dat zij niet in staat was haar belangen te behartigen. Ook woonde zij bij haar moeder en had contact met hulpverleners vanaf april 2014. De Raad concludeerde dat het college terecht de ingangsdatum van de bijstand heeft vastgesteld op 3 december 2014.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat bijstand niet met terugwerkende kracht wordt toegekend voor de periode vóór 3 december 2014.