Uitspraak
7 oktober 2015, 15/1268 en 15/1269 (aangevallen uitspraak).
OVERWEGINGEN
1.10. Bij besluit van 28 juli 2015 heeft het Uwv appellant in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering per 1 september 2014.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering (ZW) die per 28 mei 2013 werd beëindigd. Vervolgens kwam hij in aanmerking voor een Werkloosheidswetuitkering (WW). Op 2 juni 2014 diende appellant medische rapporten in en verzocht op 9 oktober 2014 telefonisch om ontheffing van zijn sollicitatieplicht. Dit verzoek werd door het UWV afgewezen omdat tijdens een lopende WW-uitkering geen ontheffing op medische gronden kan worden verleend.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten en tegen het niet toekennen van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op zijn brief van 2 juni 2014. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de weigering ontheffing niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, aangezien appellant later een ZW-uitkering kreeg en daarmee de sollicitatieplicht verviel. Het beroep tegen het niet toekennen van de dwangsom werd ongegrond verklaard omdat de brief van 2 juni 2014 niet als een aanvraag kon worden aangemerkt.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de brief wel een aanvraag was en dat het UWV had moeten navragen wat hij bedoelde. Ook stelde hij dat uit geen besluit bleek dat hij ontheven was van de sollicitatieplicht. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de rechtbank en oordeelde dat appellant vanaf 9 oktober 2014 geen sollicitatieplicht had en dat de brief van 2 juni 2014 geen aanvraag was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.