ECLI:NL:CRVB:2016:396
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- G. van Zeben-de Vries
- H. van Leeuwen
- Rechtspraak.nl
Geen recht op verhoging WAO-uitkering wegens hulpbehoevendheid bij pgb-gebruik
Appellant ontving sinds 2002 een WAO-uitkering met een toeslag wegens hulpbehoevendheid. Vanaf 1 oktober 2010 ontving hij een persoonsgebonden budget (pgb) waarmee zijn echtgenote zorg verleende en inkomsten ontving. Het UWV trok daarom per 1 oktober 2010 de verhoging van de WAO-uitkering en toeslag in en vorderde onverschuldigde betalingen terug.
De rechtbank oordeelde dat het pgb in belangrijke mate voorziet in de behoefte aan verzorging, waardoor geen recht meer bestaat op de verhoging. Ook was het terecht dat het UWV de inkomsten van de echtgenote als inkomen aanmerkte en terugvordering toepaste. Appellant stelde dat medisch onderzoek vereist was en dat de inkomsten buiten beschouwing moesten blijven, maar dit werd verworpen.
De Centrale Raad bevestigt dat het UWV terecht de beleidsregel toepaste dat geen recht op verhoging bestaat indien een andere voorziening reeds in belangrijke mate voorziet in de hulpbehoefte. Medisch onderzoek was niet noodzakelijk omdat het ging om de vraag of dezelfde hulpbehoefte werd gedekt. Ook is het inkomen van de echtgenote uit het pgb terecht als inkomen meegeteld.
Verder zijn er geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, ondanks de zware handicap van appellant en de zorg door zijn echtgenote. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op verhoging van de WAO-uitkering sinds ontvangst van het pgb en wijst het hoger beroep af.