ECLI:NL:CRVB:2016:4022
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende feitelijke woonplaats op opgegeven adres
Appellant heeft op 27 september 2013 bijstand aangevraagd op grond van de WWB en opgegeven te wonen op een adres in Rotterdam. Tijdens een huisbezoek op 1 februari 2014 bleek dat appellant weinig persoonlijke bezittingen had op het opgegeven adres en waren er aanwijzingen dat hij daar niet zijn hoofdverblijf had.
Het college van burgemeester en wethouders heeft de aanvraag afgewezen en het verstrekte voorschot teruggevorderd. De rechtbank heeft dit besluit bekrachtigd. Appellant voerde onder meer aan dat zijn taalbeheersing gebrekkig was en dat hij wel degelijk op het adres woonde, maar deze stellingen werden niet aannemelijk gemaakt.
De Raad oordeelt dat de onderzoeksbevindingen en het gebrek aan persoonlijke spullen en administratie op het adres voldoende grondslag bieden voor het besluit. Ook de verklaringen van medebewoners en een buurman bevatten onvoldoende onderbouwing. De latere toekenning van bijstand per 14 maart 2014 volgde op een nieuw onderzoek met andere feiten.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd.