Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:4047

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 oktober 2016
Publicatiedatum
25 oktober 2016
Zaaknummer
15/8550 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 11 WWBArt. 1 Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, IOAW en IOAZArt. 3.82 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking AIO-aanvulling wegens ontbreken rechtmatig verblijf

Appellanten ontvingen vanaf maart 2010 een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen (AIO) op grond van de WWB. Hun verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd liep af op 28 augustus 2014. De Sociale verzekeringsbank (Svb) trok daarom de AIO met ingang van die datum in en vorderde terugbetaalde bedragen.

Appellanten hadden een aanvraag voor verlenging van hun verblijfsvergunning ingediend, maar dit was te laat, waardoor een periode zonder rechtmatig verblijf ontstond. De Staatssecretaris verleende later alsnog een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met ingang van 9 september 2014. De Svb herstelde de AIO vanaf die datum, maar niet voor de periode daaraan voorafgaand.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. Appellanten voerden aan dat zij gelijkgesteld moesten worden met een Nederlander vanwege artikel 8 Vreemdelingenwet Pro 2000, maar de Raad oordeelde dat zij niet voldeden aan de voorwaarden voor deze gelijkstelling omdat zij niet tijdig een aanvraag voor voortgezet verblijf hadden ingediend en er geen verschoonbare termijnoverschrijding was.

Daarom hadden appellanten geen recht op AIO over de periode 28 augustus tot 9 september 2014. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De intrekking van de AIO-aanvulling over de periode zonder geldig verblijf wordt bevestigd.

Uitspraak

15/8550 WWB, 15/8551 WWB
Datum uitspraak: 25 oktober 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag van
19 november 2015, 15/1456 en 15/1562 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] en [appellante] te [woonplaats] (appellanten)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2016. Appellanten zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P. Stahl-de Bruin.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten ontvingen met ingang van 16 maart 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening voor ouderen
(AIO-aanvulling). Appellanten hebben de Afghaanse nationaliteit en beschikten over een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd tot 28 augustus 2014.
1.2.
De Svb heeft van de gemeente Alphen aan den Rijn de melding ontvangen dat appellanten met ingang van 28 augustus 2014 geen geldig verblijfsrecht meer hebben. In verband daarmee heeft de Svb appellanten bij brief van 4 september 2014 verzocht om vóór 13 september 2014 contact op te nemen. Naar aanleiding van dit verzoek hebben appellanten op 8 september 2014 contact met de Svb opgenomen en hebben zij te kennen gegeven dat zij ongeveer acht à negen dagen geleden een aanvraag voor de verlenging van de verblijfsvergunning bij de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, afdeling Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) hebben gedaan.
1.3.
Bij besluit van 23 september 2014 heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellanten met ingang van 28 augustus 2014 ingetrokken. Bij besluit van gelijke datum heeft de Svb de over de periode van augustus en september 2014 betaalde AIO-aanvulling tot een bedrag van
€ 1.469,14 van appellanten teruggevorderd.
1.4.
Bij besluit van 22 december 2014 (vreemdelingrechtelijke besluit) heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (Staatssecretaris) appellanten met ingang van
9 september 2014 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend. Daarbij heeft de Staatssecretaris overwogen dat de aanvraag voor verlening van de verblijfsvergunning toerekenbaar te laat is ingediend, waardoor een “gat” is ontstaan tussen de periode van
28 augustus 2014 tot 9 september 2014. Tegen deze beschikking hebben appellanten geen rechtsmiddelen aangewend.
1.5.
Bij besluit van 13 januari 2015 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellanten gegrond verklaard in die zin dat appellanten met ingang van 9 september 2014 alsnog recht hebben op een AIO-aanvulling. Over de periode van 28 augustus 2014 tot
9 september 2014 hebben appellanten geen recht op een AIO-aanvulling omdat zij in die periode geen rechtmatig verblijf in Nederland hadden. Bij afzonderlijk besluit van gelijke datum heeft de Svb het terugvorderingsbedrag bijgesteld naar een bedrag van € 553,06.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten hebben aangevoerd dat zij rechtmatig verblijf in Nederland hebben op grond van artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Immers, indien de verlenging van de verblijfsvergunning is ontvangen binnen een redelijke termijn nadat het rechtmatig verblijf bedoeld in artikel 8 onder Pro a tot en met e dan wel i van de Wet of als Nederlander is geëindigd, kan alsnog sprake zijn van een rechtmatig verblijf.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, te weten 28 augustus 2014, tot de datum van toekenning van de AIO-aanvulling, 9 september 2014 (te beoordelen periode).
4.2.
Op grond van artikel 11, derde lid, van de WWB in verbinding met artikel 1 van Pro het Besluit gelijkstelling vreemdelingen WWB, IOAW en IOAZ wordt voor de toepassing van de WWB met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling, die nadat hij niet langer toegelaten is, vóór de beëindiging van die toelating een aanvraag om voortgezette toelating heeft ingediend of tijdig bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van die toelating en die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h, van de Vw 2000. Deze gelijkstelling eindigt zodra onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist.
4.3.
Tussen partijen is in geschil of appellanten in de hier te beoordelen periode op grond van de onder 4.2 genoemde bepalingen gelijk moet worden gesteld met een Nederlander en dus recht op een AIO-aanvulling hebben.
4.4.
Vast staat dat appellanten niet voor het einde van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfstitel een aanvraag om voortgezet verblijf hebben ingediend alsmede dat in rechte onaantastbaar is komen vast te staan dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
4.5.
Hieruit volgt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor gelijkstelling met een Nederlander als genoemd onder 4.2. Dat het verzoek in het onderhavige geval is ingediend binnen de termijn van zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.82 van het Vreemdelingenbesluit 2000, maakt dit niet anders, nu dit slechts gevolgen heeft voor de wijze van toetsing van dat verzoek in het kader van de vreemdelingrechtelijke procedure. Zie ook de uitspraak van
21 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO8596.
4.6.
De conclusie moet dan ook zijn dat appellanten in de te beoordelen periode niet konden worden aangemerkt als een vreemdeling als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de WWB, zodat zij geen recht op AIO-aanvulling hadden.
4.7.
Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2016.
(getekend) A.B.J. van der Ham
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD