ECLI:NL:CRVB:2016:410
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zwangerschap
Appellante was tot november 2008 werkzaam in een parttime functie als kamermeisje/ontbijtmedewerkster en meldde zich in maart 2009 ziek met zwangerschapsklachten. Na een periode met diverse uitkeringen en medische beoordelingen heeft het UWV besloten haar geen WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Dit besluit is gebaseerd op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen die haar belastbaarheid hebben vastgesteld.
Appellante heeft tegen deze besluiten geen rechtsmiddelen aangewend, maar heeft in hoger beroep gesteld dat haar fysieke en psychische beperkingen zijn onderschat en dat zij niet in staat is arbeid te verrichten. Zij overlegt medische verklaringen van haar psycholoog en psychiater ter onderbouwing.
De Raad heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de vastgestelde belastbaarheid van appellante beoordeeld en concludeert dat er geen reden is te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van deze onderzoeken. De medische informatie van de psychiater en psycholoog is meegewogen, maar leidt niet tot een andere conclusie. Ook is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat schildklierproblematiek een zwaardere beperking veroorzaakt.
De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank dat appellante niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering per de datum in geding. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen WIA-uitkering krijgt omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geschikt wordt geacht voor eerder geselecteerde functies.