Appellante was sinds 1978 werkzaam bij haar werkgever en meldde zich ziek na een netvliesloslating en oogoperatie. Haar dienstverband werd beëindigd wegens budgettaire redenen, waarna zij nietigheid van het ontslag inriep en schadevergoeding vorderde. Het UWV weigerde haar Ziektewet-uitkering wegens een benadelingshandeling omdat zij niet had geprocedeerd voor herstel van de dienstbetrekking.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelt vast dat appellante niet in overwegende mate verwijtbaar heeft gehandeld vanwege de problematische arbeidsverhouding, de weigering van de werkgever om mee te werken en haar ernstige psychische klachten.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat een blijvende gehele weigering van de uitkering niet passend is. In plaats daarvan wordt een maatregel van 15% van het uitkeringsbedrag gedurende vier maanden passend geacht. Het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen en appellante wordt wettelijke rente en kosten toegekend.