ECLI:NL:CRVB:2016:4158
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemeld vermogen in onroerend goed
Appellanten ontvingen vanaf februari 2013 bijstand op grond van de WWB. Een onderzoek in het kader van het project “Vermogen in het buitenland” bracht aan het licht dat vier woningen op naam van appellant stonden geregistreerd in Turkije, met een waarde van circa €110.000. Het dagelijks bestuur trok de bijstand in en vorderde terug vanwege het niet melden van dit vermogen.
De rechtbank splitste de beoordeling in twee perioden: tot de verkoop van de woningen in september 2013 en daarna. Voor de eerste periode oordeelde de rechtbank dat appellanten over de woningen konden beschikken en dat het vermogen boven de vermogensgrens lag, waardoor intrekking gerechtvaardigd was. Voor de tweede periode was onduidelijk wat er met de verkoopopbrengst was gebeurd, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat zij de inlichtingenplicht niet hadden geschonden en dat de woningen feitelijk altijd eigendom waren van de broer. De Raad oordeelde echter dat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij niet over de woningen konden beschikken en dat zij de inlichtingenplicht hadden geschonden. Ook bleef onduidelijk wat er met de verkoopopbrengst was gebeurd, zodat de intrekking en terugvordering stand hielden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemeld vermogen in onroerend goed.