Appellant was sinds 1994 werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen en werd ontslagen wegens vermeend ernstig plichtsverzuim, namelijk het op valse gronden meehelpen aan het legale verblijf van O in Nederland. De IND had een onderzoek ingesteld naar een mogelijke schijnrelatie tussen appellant en O, wat leidde tot intrekking van O's verblijfsvergunning en een disciplinaire procedure tegen appellant.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de bewijsvoering onvoldoende is om te concluderen dat appellant de hem verweten gedraging heeft begaan. De proces-verbalen van de huisbezoeken en buurtonderzoek bevatten onvoldoende feitelijke grondslagen, en tegenstrijdige verklaringen tijdens het IND-gehoor bieden geen overtuigend bewijs. De Raad stelt dat de minister niet bevoegd was om de disciplinaire maatregel op te leggen.
De Raad vernietigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en het besluit van de minister tot ontslag, herroept het ontslagbesluit en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van appellant. Hiermee wordt het ontslag ongedaan gemaakt en wordt appellant in het gelijk gesteld.