ECLI:NL:CRVB:2016:4280
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ZW-uitkering wegens geschiktheid voor maatgevende arbeid als operator
Appellant werkte als operator en meldde zich ziek met spier-, gewrichts- en vermoedheidsklachten. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant per 18 maart 2013 geschikt was voor zijn maatgevende arbeid en beëindigde de ZW-uitkering. De rechtbank vernietigde het eerste besluit vanwege onvoldoende arbeidskundig onderzoek en beval nader onderzoek.
Na aanvullend arbeidskundig en medisch onderzoek verklaarde de rechtbank het bezwaar ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de arbeidsbelasting en medische beperkingen zwaarder waren dan door het UWV aangenomen. De Raad beoordeelde zowel de arbeidskundige als medische gronden en concludeerde dat de arbeidsdeskundige een zorgvuldig en volledig beeld gaf van de functie en belasting, en dat de verzekeringsarts overtuigend motiveerde dat appellant de werkzaamheden kon verrichten.
De Raad oordeelde dat de bezwaren van appellant onvoldoende waren onderbouwd om af te wijken van de deskundige rapporten. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de ZW-uitkering bevestigd.