ECLI:NL:CRVB:2016:4358
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanspraak no-riskpolis Ziektewet bij indiensttreding voor einde wachttijd
Werkneemster meldde zich ziek terwijl zij een WW-uitkering ontving en werd minder dan 35% arbeidsongeschikt bevonden. Na haar wachttijd van 104 weken trad zij als uitzendkracht in dienst bij appellante. Appellante vroeg een Ziektewet-uitkering aan op basis van de no-riskpolis van artikel 29b ZW, maar het UWV wees dit af omdat werkneemster al vóór het einde van de wachttijd in dienst was getreden.
De rechtbank oordeelde dat het beoordelingsmoment voor de no-riskpolis ligt op de eerste dag na afloop van de wachttijd en dat alleen dan aanspraak kan worden gemaakt op de polis. Appellante stelde in hoger beroep dat dit moment 13 weken vóór het einde van de wachttijd ligt, maar de Raad volgde het UWV en de rechtbank.
De Raad motiveerde dat de wetgever de no-riskpolis heeft bedoeld om werknemers die na het einde van de wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn en binnen vijf jaar bij een nieuwe werkgever in dienst treden te ondersteunen. Indien de werknemer al voor het einde van de wachttijd in dienst treedt, is er geen noodzaak voor de polis. Daarom is het beroep ongegrond en wordt de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat werkneemster geen recht heeft op de no-riskpolis Ziektewet omdat zij vóór het einde van de wachttijd in dienst trad.