ECLI:NL:CRVB:2016:4369
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- F. Hoogendijk
- J.L. Boxum
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging bijzondere bijstand collectieve zorgverzekering wegens overschrijding vermogensgrens
Appellante ontving bijzondere bijstand via deelname aan de collectieve zorgverzekering (CZG) van de gemeente Eindhoven. Het college beëindigde deze bijstand per 1 januari 2015 omdat het vermogen van appellante, mede door overwaarde van haar eigen woning en een positief banksaldo, de vermogensgrens overschreed.
De rechtbank had het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. In hoger beroep stelde appellante dat zij financieel nadeel had ondervonden door de beëindiging en dat een lening van haar moeder als schuld in mindering moest worden gebracht.
De Raad oordeelt dat het beleid van het college, gebaseerd op artikel 35 lid 3 van Pro de Participatiewet, niet buitenwettelijk is en binnen redelijke beleidsgrenzen blijft. Het vermogen gebonden in de eigen woning wordt niet tegen appellante gebruikt, maar het positieve banksaldo overschrijdt de toegestane vrijstelling. De lening van € 50.000,- betreft het woninggebonden vermogen en mag niet worden gesaldeerd met het banksaldo.
Daarom is het college terecht uitgegaan van overschrijding van de vermogensgrens en heeft het besluit correct gehandeld. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college terecht de bijzondere bijstand in de vorm van collectieve zorgverzekering heeft beëindigd wegens overschrijding van de vermogensgrens.