ECLI:NL:CRVB:2016:4372
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen niet-ontvankelijkheid aanvraag bijstand na beëindigd intakegesprek
Appellant ontving tot september 2013 bijstand op grond van de WWB, welke werd ingetrokken wegens het niet aanleveren van gevraagde gegevens. Op 14 oktober 2013 meldde appellant zich opnieuw voor bijstand en werd uitgenodigd voor een intakegesprek op 22 oktober 2013. Tijdens dit gesprek weigerde appellant vragen over schulden te beantwoorden en beëindigde het gesprek door het opnemen met een dictafoon.
Vervolgens werd appellant opnieuw uitgenodigd voor een intakegesprek op 4 november 2013, maar appellant maakte gebruik van zijn zwijgrecht en wenste alleen schriftelijk te worden benaderd. Het college stelde dat er geen aanvraag tot stand was gekomen en trok de uitnodiging in. Appellant maakte bezwaar tegen het besluit tot intrekking van de bijstand en tegen de communicatie over het ontbreken van een aanvraag.
De rechtbank oordeelde dat de brief van appellant van 16 oktober 2013 als aanvraag moest worden gezien en vernietigde het besluit van het college. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat noch de brief van 16 oktober, noch andere correspondentie een aanvraag in de zin van de Awb bevatte. Hierdoor was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en wordt het hoger beroep ongegrond verklaard. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten en dient het griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard omdat geen aanvraag tot stand is gekomen en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard.