ECLI:NL:CRVB:2016:4380
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens ernstig plichtsverzuim politiemedewerker na aanranding
Appellant, werkzaam bij de politie sinds 1997, werd in 2012 buiten functie gesteld vanwege verdenking van meervoudige verkrachting van zijn dochter. In eerste aanleg werd hij veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, maar in hoger beroep werd hij vrijgesproken van verkrachting en veroordeeld tot 3 maanden voor aanranding.
De korpschef legde appellant daarop onvoorwaardelijk ontslag op wegens ernstig plichtsverzuim, gebaseerd op het strafrechtelijk proces-verbaal waaruit bleek dat appellant seksuele handelingen tegen de wil van zijn dochter had verricht. Appellant maakte bezwaar tegen het ontslag, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het ontslag niet onevenredig was gezien de aard en ernst van de gedragingen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat de korpschef en rechtbank zelfstandig en overtuigend hebben vastgesteld dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim.
De Raad wijst het verweer van appellant af dat de gedragingen privé waren en geen verband hielden met zijn werk. Het gedrag is grensoverschrijdend en onverenigbaar met het politievak. De opgelegde straf van ontslag is passend en niet disproportioneel.
Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens ernstig plichtsverzuim wordt bevestigd als niet onevenredig.