Uitspraak
8 januari 2015, 14/2689 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf 28 juli 2010 een Ziektewetuitkering en een toeslag, die per 10 april 2012 werden beëindigd na het verstrijken van de wachttijd. In 2011 werd in zijn woning een hennepkwekerij aangetroffen, waarna een politieonderzoek volgde. Uit het onderzoek bleek dat appellant in de periode van 17 februari tot 28 april 2011 inkomsten uit deze kwekerij had genoten, zonder dit aan het UWV te melden.
Het UWV herzag daarop de uitkering en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet de exploitant was en dat het niet vervolgd zijn in strafrechtelijke zin niet relevant was voor de bestuursrechtelijke beoordeling.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten zonder nieuwe bewijzen te leveren en verscheen niet op zitting. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden en dat het UWV terecht de uitkering had herzien. Ook concludeerde de Raad dat alle relevante stukken, waaronder processen-verbaal, aan appellant beschikbaar waren gesteld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de Ziektewetuitkering bevestigd.