Uitspraak
4 augustus 2015, 14/5229 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
15 november 2013 om bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van zijn vader (verzoek om loskoppeling) afgewezen.
Centrale Raad van Beroep
Appellant verzocht de minister om bij de vaststelling van zijn aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van zijn vader. Dit verzoek werd afgewezen omdat appellant niet had aangetoond dat hij een onderhoudsverplichting via de burgerlijke rechter had laten vaststellen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat appellant zich tot de burgerlijke rechter had moeten wenden om de onderhoudsverplichting vast te stellen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de minister ten onrechte aanvullende voorwaarden stelde en dat de minister geen onderzoek had verricht naar het inkomen van zijn vader.
De Raad oordeelde dat de regeling in het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000) vereist dat de studerende zich tot de burgerlijke rechter wendt voor vaststelling van de onderhoudsverplichting. De verstoorde relatie tussen appellant en zijn vader doet hier niet aan af. Ook het ontbreken van inkomensgegevens van de vader ontslaat appellant niet van deze verplichting. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek van appellant om het inkomen van zijn vader buiten beschouwing te laten bij de aanvullende beurs is terecht afgewezen.