ECLI:NL:CRVB:2018:1389
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvullende beurs loskoppeling vanwege onvoldoende bewijs langdurig contactverlies met ouder
Appellant verzocht om een aanvullende beurs los van het inkomen van zijn vader vanwege langdurig contactverlies sinds zijn achtste levensjaar. De minister wees dit af omdat niet was voldaan aan de vereisten van het Besluit studiefinanciering 2000, waaronder het ontbreken van een verklaring van een deskundige die het contactverlies vanaf 12 jaar bevestigt en het ontbreken van een alimentatievordering.
Na bezwaar en een eerdere vernietiging werd het bezwaar uiteindelijk ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat appellant niet had aangetoond dat hij sinds zijn twaalfde geen wezenlijk contact met zijn vader had. In hoger beroep overwoog de Raad dat ondanks de psychotherapeutische rapportage uit 2007-2008 en verklaringen van moeder en huisarts, appellant niet aannemelijk had gemaakt dat het redelijkerwijs onmogelijk was om een recente deskundigenverklaring te overleggen of alimentatie te vorderen.
De Raad wees erop dat appellant ook contact had met zijn vader in een omgangsprocedure, wat het ontbreken van een alimentatievordering minder begrijpelijk maakt. De Raad concludeerde dat loskoppeling niet aan de orde was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank dat de aanvullende beurs terecht afhankelijk blijft van het ouderlijk inkomen.
Uitkomst: De aanvullende beurs wordt niet losgekoppeld van het inkomen van de vader omdat onvoldoende bewijs is geleverd voor langdurig contactverlies en geen alimentatievordering is ingesteld.