Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.
Centrale Raad van Beroep
Appellante en appellant ontvingen bijstand op grond van de WWB en WIJ. Naar aanleiding van een onderzoek naar hun woonsituatie, waarbij onder meer huisbezoeken en getuigenverklaringen werden verzameld, besloot het dagelijks bestuur de bijstand van appellanten in te trekken en de kosten terug te vorderen wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder melding hiervan.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde de terugvorderingsbesluiten. Het dagelijks bestuur ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. Tijdens het hoger beroep werd onder meer de inzet van een preventiemedewerker van een privaat bedrijf aan de orde gesteld, evenals de vraag of appellanten daadwerkelijk een gezamenlijke huishouding voerden.
De Raad oordeelt dat de inzet van de preventiemedewerker niet leidt tot uitbesteding van kerntaken en dat het dagelijks bestuur voldoende gelegenheid had om op nieuwe beroepsgronden te reageren, zodat het hoger beroep ontvankelijk is. Ten aanzien van de gezamenlijke huishouding concludeert de Raad dat de getuigenverklaringen, waarnemingen en verbruiksgegevens onvoldoende zijn om het hoofdverblijf van appellant op het adres van appellante aan te tonen.
Daarmee slaagt het hoger beroep, worden de bestreden besluiten vernietigd en de besluiten van 11 juni 2012 herroepen. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand worden vernietigd en herroepen wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.