Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:4573

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2016
Publicatiedatum
30 november 2016
Zaaknummer
15/6805 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 46 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning Ziektewetuitkering aan ex-werkneemster met juiste eerste arbeidsongeschiktheidsdag

Appellante, werkgever van een ex-werkneemster die als leerling verzorgende werkte, betwistte de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de toekenning van een Ziektewetuitkering door het UWV. De ex-werkneemster had haar dienstverband tijdens de proeftijd beëindigd gekregen per 1 maart 2013 en had een WW-uitkering aangevraagd, die werd afgewezen vanwege haar ziekmelding.

Na een medisch onderzoek kende het UWV haar met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2013 een Ziektewetuitkering toe. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat er geen aanwijzingen waren dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag onjuist was vastgesteld of dat het onderzoek onzorgvuldig was.

In hoger beroep voerde appellante aan dat het moment van arbeidsongeschiktheid nader onderzocht had moeten worden en dat er geen sprake kon zijn van nawerking omdat de ex-werkneemster binnen de WW-periode arbeidsongeschikt was geworden. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter de eerdere oordelen en bevestigde dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist was vastgesteld en dat de nawerking op grond van artikel 46 Ziektewet Pro van toepassing is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist is vastgesteld en dat sprake is van nawerking op grond van artikel 46 Ziektewet.

Uitspraak

15/6805 ZW
Datum uitspraak: 30 november 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
4 september 2015, 14/7772 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft H.E. Wonnink, arts, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2016. Namens appellante is Wonnink verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1.
Ex-werkneemster van appellante, [ex-werkneemster] , is bij appellante werkzaam geweest als leerling verzorgende. Het contract is tijdens de proeftijd, met ingang van 1 maart 2013, beëindigd. Op 28 februari 2013 heeft zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Deze aanvraag heeft het Uwv bij besluit van 4 maart 2013 afgewezen omdat zij heeft aangegeven ziek te zijn.
1.2.
Op 14 mei 2013 heeft de ex-werkneemster van appellante het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft overwogen dat zij niet in staat kan worden geacht haar werk te verrichten. Bij besluit van 15 mei 2013 heeft het Uwv aan de ex-werkneemster van appellante met ingang van 1 maart 2013 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Dit besluit heeft het Uwv bij brief van 27 maart 2014 aan appellante bekendgemaakt. Het tegen het besluit van 15 mei 2013 door appellante gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 26 september 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Tegen het bestreden besluit heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld geen aanknopingspunten te zien om de conclusie van de verzekeringsarts voor onjuist te houden dan wel voor het oordeel dat het onderzoek door deze arts onvolledig of onzorgvuldig is geweest. Zij heeft voorts geoordeeld dat appellante niet heeft onderbouwd dat van een andere eerste arbeidsongeschiktheidsdag dan 1 maart 2013 moet worden uitgegaan en voorts dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat de ex-werkneemster van appellante in aanmerking had moeten worden gebracht voor een WW-uitkering, nu zij terecht arbeidsongeschikt is geacht per 1 maart 2013 en dus niet beschikbaar was voor arbeid.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte vermeden heeft een discussie te voeren over het exacte ontstaansmoment van de arbeidsongeschiktheid van de ex-werkneemster van appellante. Voorts heeft zij aangevoerd dat bij het einde van de dienstbetrekking van de ex-werkneemster van rechtswege een WW-recht is ontstaan waaruit zij vervolgens arbeidsongeschikt is geworden, zodat van nawerking op grond van artikel 46, van de ZW, geen sprake kan zijn.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW, heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.2.
De Raad verenigt zich met het oordeel van het rechtbank en onderschrijft de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd. Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen reden tot twijfel aan de door het Uwv gehanteerde eerste arbeidsongeschiktheidsdag van 1 maart 2013. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat van een andere eerste arbeidsongeschiktheidsdag dan 1 maart 2013 moet worden uitgegaan.
4.3.
De rechtbank wordt eveneens gevolgd dat er geen grond is voor het oordeel dat de
ex-werkneemster in aanmerking had moeten worden gebracht voor een WW-uitkering, nu het Uwv ex-werkneemster terecht met ingang van 1 maart 2013 ongeschikt heeft geacht tot het verrichten van haar werk en zij dus niet beschikbaar was voor werk.
4.4.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht het standpunt van het Uwv heeft onderschreven dat er in het geval van ex-werkneemster sprake is van nawerking op grond van artikel 46 van Pro de ZW, aangezien zij binnen vier weken na het einde van de verzekering ongeschikt tot werken is geworden.
4.5.
Uit wat in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman als voorzitter en F.M.S. Requisizione en
C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2016.
(getekend) E.W. Akkerman
(getekend) I.G.A.H. Toma

UM