ECLI:NL:CRVB:2016:4573
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning Ziektewetuitkering aan ex-werkneemster met juiste eerste arbeidsongeschiktheidsdag
Appellante, werkgever van een ex-werkneemster die als leerling verzorgende werkte, betwistte de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de toekenning van een Ziektewetuitkering door het UWV. De ex-werkneemster had haar dienstverband tijdens de proeftijd beëindigd gekregen per 1 maart 2013 en had een WW-uitkering aangevraagd, die werd afgewezen vanwege haar ziekmelding.
Na een medisch onderzoek kende het UWV haar met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 2013 een Ziektewetuitkering toe. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat er geen aanwijzingen waren dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag onjuist was vastgesteld of dat het onderzoek onzorgvuldig was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het moment van arbeidsongeschiktheid nader onderzocht had moeten worden en dat er geen sprake kon zijn van nawerking omdat de ex-werkneemster binnen de WW-periode arbeidsongeschikt was geworden. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter de eerdere oordelen en bevestigde dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist was vastgesteld en dat de nawerking op grond van artikel 46 Ziektewet Pro van toepassing is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag juist is vastgesteld en dat sprake is van nawerking op grond van artikel 46 Ziektewet.