Appellant, die sinds 1992 een gedeeltelijke WAO-uitkering ontvangt wegens rug- en voetklachten, verzocht in 2013 om herkeuring wegens vermeende toename van zijn beperkingen. Het Uwv stelde na medisch onderzoek vast dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd bleef op 35 tot 45%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn klachten, waaronder nek- en rugslijtage, slaapapneu, geheugenproblemen en depressieve klachten, waren toegenomen en dat dit een hogere uitkering rechtvaardigde. De Raad oordeelde dat het verzoek beoordeeld moest worden volgens artikel 37, eerste lid van de WAO, waarbij zowel een medische als arbeidskundige beoordeling vereist is. Dit ontbrak in eerste instantie, maar werd in hoger beroep alsnog uitgevoerd.
De medische beoordeling concludeerde dat er geen toegenomen beperkingen waren ten opzichte van de situatie in 2006, en de arbeidsdeskundige bevestigde dat de geselecteerde functies geschikt waren voor appellant. De Raad vond de motivatie van het Uwv overtuigend en wees de claim van appellant af. Wel werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant wegens het aanvankelijke gebrek in besluitvorming.