ECLI:NL:CRVB:2016:4652

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 december 2016
Publicatiedatum
7 december 2016
Zaaknummer
15/4090 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek uitbreiding vergoeding huishoudelijke hulp wegens ontbreken medische noodzaak

Appellant, een uitkeringsgerechtigde vervolgde in de zin van de Wuv, verzocht om uitbreiding van de vergoeding voor huishoudelijke hulp van één naar twee dagdelen per week. Dit verzoek werd door de Sociale verzekeringsbank afgewezen omdat geen medische noodzaak voor meer hulp werd vastgesteld. Eerder beroep tegen een soortgelijk besluit werd reeds ongegrond verklaard.

In het medisch advies werd geconcludeerd dat appellant ondanks psychische klachten in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten en dat er geen sprake is van (zelf)verwaarlozing of chaotisch gedrag. De Raad achtte het besluit van verweerder deugdelijk voorbereid en voldoende gemotiveerd.

De Raad concludeerde dat appellant vooral zware huishoudelijke taken niet kan verrichten, maar lichte taken wel aankan. Omstandigheden zoals de grootte van het huis en het wegvallen van hulp na overlijden van de echtgenote vallen buiten het beoordelingskader. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het verzoek tot uitbreiding van de vergoeding voor huishoudelijke hulp naar twee dagdelen per week wordt afgewezen wegens het ontbreken van een medische noodzaak.

Uitspraak

15/4090 WUV
Datum uitspraak: 8 december 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 mei 2015, kenmerk BZ01840568 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn zoon [zoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wuv. Aanvaard is dat hij psychische klachten heeft die in verband staan met de vervolging. Voor de rugklachten, heupklachten en hartklachten is geen verband met de vervolging aanvaard. Aan appellant is met ingang van 1 oktober 1994 een vergoeding toegekend voor huishoudelijke hulp voor een dagdeel (vier uur) per week.
1.2.
Een in augustus 2010 ingediende aanvraag om uitbreiding van de vergoeding voor huishoudelijke hulp naar twee dagdelen (acht uur) heeft verweerder bij besluit van
11 november 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 februari 2011, afgewezen op de grond dat geen medische noodzaak bestaat voor meer dan één dagdeel huishoudelijke hulp per week. Het tegen het besluit van 11 februari 2011 ingestelde beroep is door de Raad bij uitspraak van 8 maart 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV8298) ongegrond verklaard.
1.3.
In oktober 2014 heeft appellant opnieuw verzocht om uitbreiding van de vergoeding voor huishoudelijke hulp naar twee dagdelen per week en om vergoeding voor de aanschaf van een auto met ingang van 1 januari 2015 ter vervanging van de vorige auto. Bij besluit van
13 februari 2015, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder een vergoeding voor de aanschaf van een auto met een automatische transmissie en stuurbekrachtiging toegekend voor zover de kosten niet op een andere manier worden gedekt. Verweerder heeft de gevraagde uitbreiding voor huishoudelijke hulp geweigerd op de grond dat er nog immer geen medische noodzaak is voor meer dan één dagdeel huishoudelijke hulp in de week.
2. In beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn huishoudelijke hulp het werk niet in één dagdeel af krijgt. Appellant zelf is geestelijk en lichamelijk niet in staat om huishoudelijke klussen te doen.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Verweerder hanteert, voor zover hier van belang, het beleid dat aan een persoon van 70 jaar of ouder, zoals appellant, een vergoeding voor twee dagdelen huishoudelijke hulp per week kan worden toegekend indien hij op grond van het totaal van zijn medische beperkingen - zowel causale als niet-causale - niet meer in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Een voorziening voor acht uur per week kan ook worden toegekend indien sprake is van causale psychische aandoeningen in combinatie met (zelf)verwaarlozing en/of chaotisch gedrag. De Raad heeft dit beleid al meermalen acceptabel geacht (bijvoorbeeld in de uitspraak van 2 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2034).
3.2.
Verweerder heeft de aanvraag van appellant voor advies voorgelegd aan zijn geneeskundig adviseur, de arts R. Loonstein. Deze heeft op basis van de door appellant verstrekte informatie en de informatie van de huisarts, cardioloog en psycholoog, geconcludeerd dat niet gebleken is van zodanige beperkingen dat appellant buiten staat is om lichte huishoudelijke taken uit te voeren. Ook is niet gebleken van chaos of (zelf)verwaarlozing ten gevolge van de psychische klachten. Er is daarom geen medische indicatie voor meer dan het reeds toegekende dagdeel huishoudelijke hulp per week. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft verweerder advies gevraagd aan een ander geneeskundig adviseur, de arts G.L.G. Kho. Deze arts heeft op basis van een door hem bij appellant verricht medisch onderzoek en de informatie van de huisarts, cardioloog en psycholoog het advies van Loonstein onderschreven.
3.3.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze advisering deugdelijk voorbereid en voldoende gemotiveerd. In de beschikbare medische en andere gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het in 3.2 genoemde adviezen vervatte en door verweerder gevolgde standpunt. Uit deze medische adviezen komt naar voren dat het vooral de zware huishoudelijke werkzaamheden zijn die appellant niet kan verrichten en dat hij, mede gelet op de beschrijving van zijn activiteitenpatroon, in staat kan worden geacht om licht huishoudelijk werk te doen. Zo blijkt uit het verslag van het persoonlijk onderhoud met geneeskundig adviseur Kho dat appellant ten tijde hier van belang nog huishoudelijk werk verrichtte zoals boodschappen doen, de vaatwasmachine in- en uitruimen, het bed opmaken en planten water geven. De omstandigheid dat deze werkzaamheden appellant in verband met zijn gezondheid meer moeite kosten, neemt niet weg dat appellant ten tijde van belang in staat was tot het verrichten van licht huishoudelijk werk. De grootte van het huis, de onmogelijkheid om te verhuizen en de omstandigheid dat met het overlijden van de echtgenote van appellant ook de aan haar toegekende twee dagdelen aan huishoudelijke hulp zijn weggevallen vallen, buiten het in 3.1 weergegeven beoordelingskader van deze aanvraag. Ten slotte is gesteld noch gebleken dat bij appellant sprake is van (zelf)verwaarlozing en/of chaotisch gedrag.
3.4.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2016.
(getekend) M.T. Boerlage
De griffier is buiten staat te ondertekenen.

HD