ECLI:NL:CRVB:2016:4750
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van terugwerkende kracht IOAW-uitkering wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant ontving tot 10 april 2011 een WW-uitkering en vroeg op 26 februari 2014 een IOAW-uitkering aan. Het college wees de aanvraag aanvankelijk af, maar kende later de uitkering toe met ingang van 26 februari 2014. Appellant wilde echter dat de uitkering met terugwerkende kracht vanaf 11 april 2011 zou ingaan.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat volgens artikel 16a IOAW de uitkering in beginsel niet met terugwerkende kracht wordt toegekend vóór de datum van melding of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Appellant stelde dat hij door onjuiste informatie van een klantmanager van het UWV op 14 april 2011 niet wist dat hij recht had op een IOAW-uitkering, waarvoor geen vermogenstoets geldt.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door onjuiste informatie is afgehouden van een aanvraag. Er is geen registratie van het gesprek en geen melding conform artikel 16a IOAW. Het feit dat appellant bijna drie jaar wachtte met aanvragen, weegt ook mee. De enkele uitnodiging voor het gesprek is onvoldoende om bijzondere omstandigheden aan te nemen.
Daarom is het hoger beroep ongegrond en wordt het besluit van het college bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de terugwerkende kracht van de IOAW-uitkering bevestigd.